brandschoon

Met zijn ene hand reikt hij tussen de spijlen van de ladder door naar de waterborden langs het dak. In zijn andere hand een emmer met water en sop. Hij kijkt angstig naar beneden, waar ik sta. Ik houd de ladder vast. Hij roept quasi grappig maar ook een beetje vertwijfeld: ‘Wat doe je me toch aan?’

Ik stop mijn mobieltje snel ongemerkt in mijn jaszak. Dat ik foto’s sta te maken en die meteen in de familie-app zet, dat ik sta te filmen, dat stelt hij nu vast niet op prijs.

‘Hou jij je nou maar goed vast!’, roep ik terug.

De ladder staat nogal wankel op de keien in onze voortuin. Precies daarom houd ik hem vast, zodat alles wat steviger staat. Ik zie aan hem dat hij er niet veel zin in heeft. Maar… er zijn grenzen. Ík ga die ladder niet op! Ramen wassen en de goot schoonmaken tot tweeënhalve meter hoogte, prima, maar dit is me te hoog.

Langzaam maar zeker komt al het wit van het hout onder het groen tevoorschijn. Een karweitje dat de nodige voldoening oplevert. Misschien een te klein sponsje. Ik noem het maar niet op. Ik hoop dat hij vooral doorgaat met deze rotklus, dat hij het afmaakt.

De buurvrouw, die langs fietst, roept: ‘Doe je wel voorzichtig?’ Stoer steekt hij zijn duim op.

‘Mooi, we hebben een getuige, hij wordt aangemoedigd, deze klus wordt geklaard’, denk ik.

Het had mij ruim een jaar gekost om hem die ladder op te praten. Niet dat hij het per se van mij moest doen. We hadden ook een glazenwasser kunnen inhuren. Maar daar had hij allerlei bezwaren tegen, hij zou dit zelf wel opknappen. Met argumenten als: Je weet niet wie je om je huis krijgt, ze zijn veel te duur, zo vies is het toch nog niet, zo moeilijk kan het toch niet zijn, etc., praatte hij zichzelf die ladder op.

te duur

Wij hadden tot voor kort het groenste huis van onze wijk. En dan bedoel ik niet door allerlei energie besparende maatregelen zoals zonnepanelen of dubbel glas. Nee, het huis was groen van mos en aanslag. Het was te onbelangrijk voor mijn schatje en het was te duur om een vrije dag voor op te nemen. Zo gaat dat met een eigen bedrijf: een dag niet gewerkt is een dag geen inkomsten. Hij zou het dus wel een keer tussendoor doen. Ik stemde daarmee in, zolang het maar gedaan werd.

Een vriend kwam langs voor een kop koffie. Ik vroeg tussen de bedrijven door of hij misschien zo’n uitschuivende ladder had? Dat was inderdaad het geval. Hij zou hem meteen wel even halen, de held. IJzer smeden als het heet is.

Ik zag dat Rob er toch langzaamaan wat lol in kreeg. Het resultaat mocht er dan ook zijn. Een paar keer moesten we de ladder verplaatsen. En Rob kwam gelukkig steeds iets lager te staan. Ook zetten we het ding allengs schuiner tegen de muur zodat het precies onder de goot paste. Tjonge, wat knapte dat op! We zetten de ladder nog iets schever. Dat moest wel, want die geknipte spar stond in de weg.

De buurvrouw fietste nogmaals voorbij en riep: ‘… wordt mooi hoor!’ Weer die duim van Rob. Voor praten had hij nu geen tijd.

auw!

Het ging snel, veel te snel. Ik trok nog uit volle macht aan de ladder die uit evenwicht raakte. Maar ik kon hem niet tegenhouden … de ladder klapte met Rob en al met een rotsmak op de grond. Ik gaf een schreeuw en verstijfde. Ladder op de keien, Rob er half onder.

‘Gaat het lieverd…? Ik hield ‘m echt niet meer!’, zei ik zenuwachtig.

‘Ja, hoor, niks aan de hand, gaat wel’, zei ‘ie. De ladder werd weer schuin tegen de muur gezet en Rob ging verder met zijn schoonmaakwerk.

Aan de linkerkant zag ik nog een wel grote vlek zitten. Maar toen hij trots zei: ‘Zo! Klaar!’, durfde ik hem daar niet meer op te wijzen.

Hij wreef over zijn linkerhand. Die was blauw en opgezet.

De vriend, van wie we de ladder hadden geleend, kwam even later weer terug. Hij kwam de ladder ophalen. Maar ook hij zag gelijk die lelijke vlek, dat stukje groen waar ik het niet over durfde te hebben. Dus hup, Rob die ladder weer op. Het was zijn eer te na. Hij zou en moest het afmaken.

Twee uur later, het ziekenhuis. Er werden foto’s van zijn hand gemaakt. Die was steeds blauwer geworden. Waarschijnlijk een scheurtje in het bot van zijn duim. Plekken op zijn armen en benen, een afdruk van de ladder in zijn scheenbeen. Het zag er allemaal niet zo jofel uit. Het duurde drie weken voordat hij weer gitaar kon spelen.

We zijn nu een paar maanden verder. Mijn gevel is nog nooit zo schoon geweest. Trots kijk ik mijn man aan, terwijl de glazenwassers hun werk doen.